Meer informatie

Implantologie

Ruim vijfendertig jaar geleden zijn tandheelkundige implantaten voor het eerst toegepast. Een implantaat wordt gebruikt voor de behandeling van gedeeltelijk en volledig onbetande patiënten. 

Implantaten worden gebruikt om houvast te bieden voor een uitneembare prothese of als houvast van kronen of bruggen. Het implantaat kan het beste gezien worden als een soort kunstwortel, die in de kaak wordt geplaatst. De meeste implantaten hebben de vorm van een cilinder of een schroef. Implantaten zijn gemaakt van titanium. Titanium is een materiaal dat goed geaccepteerd wordt door het lichaam. Er zijn implantaten in diverse lengtes en doorsneden. De behandelaar maakt een keuze onder andere gebaseerd op de vorm van de kaak en de te vervaardigen kroon of prothese. Het tandheelkundige implantaat wordt in het bot geschroefd, waarna het bot er tegenaan gaat groeien; het implantaat zit na 6 tot 8 weken echt vast in het bot. Dit heet osseointegratie. Deze periode van ingroei varieert van 6 weken tot 6 maanden, onder andere afhankelijk van de kwaliteit van het bot. Uw behandelaar bepaalt hoe lang deze periode dient te zijn.

Een tandimplantaat is een kleine, metalen schroef. Deze schroef bestaat uit lichaamsvriendelijk titanium en neemt de functie van de tandwortel over. Het tandimplantaat wordt in het kaak.

bot geplaatst. Het kaakbot groeit vast in het oppervlak van het implantaat waardoor het implantaat stevig verankerd wordt. De ingroeifase duurt, afhankelijk van de uitgangssituatie, 6 tot 12 weken. Daarna wordt de tandvervanging in de vorm van een kroon, brug of prothese op het implantaat bevestigd.

Uw behandelaar adviseert u welke tandvervanging voor u persoonlijk het meest geschikt is.

Als de eigen tanden en kiezen niet (meer) aanwezig zijn, kan gedacht worden aan het toepassen van implantaten. Tanden kunnen bijvoorbeeld ontbreken na een ongeval, ernstig tandbederf of ontstekingen. Implantaten worden ook veel toegepast om een loszittend gedeeltelijk of volledig kunstgebit vast te klikken.

Samen met uw behandelaar kunt u overleggen of implantaten een goede oplossing voor u zijn. Er moet wel voldoende hoogte en breedte zijn van het bot, om een implantaat te kunnen plaatsen. Uw behandelaar kan dit voor u bekijken, onder andere, door het maken van een röntgenfoto. Als er onvoldoende bot aanwezig is, kunnen implantaten niet zonder meer geplaatst worden. Indien onvoldoende bot aanwezig is betekent dit overigens niet dat implantaten niet mogelijk zijn. Er kan dan bot worden aangebracht, soms in een aparte operatie.

Het implantaat geeft de nieuwe tand stabiliteit. Wanneer het implantaat stevig in de kaak is verankerd, kan de tandvervanging in de vorm van een enkele kroon op het implantaat worden gevestigd.


Conventioneel
Bij de tradionele methodes worden gezonde aangrenzende tanden of kiezen beslepen voor het bevestigen van een brug. Deze beslepen tanden nemen de draagfunctie over.


Implantologie
Het tandimplantaat vervangt de verloren tandwortel en ondersteunt de implantaat-kroon. De aangrenzende tanden of kiezen hoeven dus niet beslepen te worden

Er kan een kroon of een brug op een of meerdere implantaten vast gezet worden. Of een  staafje of knopjes waarop een kunstgebit vast klikt.

Kronen en bruggen op implantaten

Kunstgebit op implantaten

Implantaten worden  geplaatst ter stabilisering en verankering van een volledige of gedeeltelijke gebitsprothese.

Prothese zonder implantaten
Bij de traditionele methode blijft de uitneembare gebitsprothesen zitten door een soort zuigwerking op het mondslijmvlies. Het kaakbot slinkt na het verwijderen van een gebitselement. Hierdoor verliest de prothese haar houvast. Een slechte of ontbrekende stabiliteit van de prothese is voor veel patiënten een groot esthetisch en functioneel  probleem en kan ook leiden tot pijnlijke plekken op het tandvlees.

Prothese met implantaten
Implantaten stabiliseren de uitneembare volledige of gedeeltelijke gebitsprothese. Ook bevorderen implantaten het behoud van het kaakbot. U kunt de prothese probleemloos in- en uitnemen om deze te reinigen en de mond te poetsen. Door de verankeringstechniek van tandimplantaten bespaart u de vervelende bijverschijnselen van de traditionele, uitneembare prothese, zoals onvoldoende houvast en pijn.
Een kleefpasta is niet meer nodig. De prothese zit bij het eten, lachen en spreken stevig vast in de mond.

Het plaatsen van een implantaat in het kaakbot is een kleine operatieve ingreep. Deze ingreep gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving. Vóórdat de tandvervanging (kroon, brug of prothese) kan worden geplaatst, moet het kaakbot ingroeien in het tandimplantaat, zodat het implantaat duurzaam en stevig verankerd blijft. Dit ingroeiproces duurt, afhankelijke van de omstandigheden, 6 tot 12 weken.

1. De planning van een tandvervanging
Het behandelplan van de chirurgische ingreep begint met het beoordelen van de specifieke situatie van uw mond. Uw behandelaar informeert u over alle aspecten en adviseert u wat mogelijk is in uw situatie. Wanneer alle vragen zijn beantwoord, wordt er een röntgenfoto gemaakt voor de planning van de ingreep en om te bepalen waar de tandimplantaten precies moeten worden geplaatst. 

2. De ingreep
De volgende stap is het plaatsen van het implantaat in uw kaakbot. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving. 

3. Het aanbrengen van de tandvervanging
Na de ingroeifase wordt de nieuwe tandkroon op het implantaat bevestigd.

 Voorbeeld van een behandeling van vervanging van een enkel tand.

Meestal kan de behandeling onder plaatselijke verdoving worden uitgevoerd. Soms wordt 1 uur voor de ingreep al medicijnen gegeven of voorgeschreven. Dit kan zijn een spoelmiddel, pijnstilling of antibiotica. Er wordt een opening gemaakt in het tandvlees, zodat de tandarts bij het bot kan komen. Soms is het nodig dat het bot wordt glad gemaakt.

Daarna wordt de plaats bepaald, waar de implantaten moeten komen. 

Vervolgens wordt met diverse boortjes ruimte gemaakt in het bot. Het implantaat kan er daarna ingeschroefd worden. Vervolgens wordt de wond gehecht.

Hierna kunt u weer naar huis. Meestal zult u een recept spoelmiddel en pijnstilling mee krijgen.

Soms zijn de implantaten direct zichtbaar in de mond. In sommige gevallen zijn de implantaten volledig door tandvlees bedekt. In dat geval is een tweede ingreep nodig om de implantaten zichtbaar te maken. Dit is afhankelijk van het soort implantaat dat gebruikt wordt en de plaats waar het implantaat geplaatst wordt.

De eerste dagen kunt u zwelling van het wondgebied krijgen. Ook kunt u napijn krijgen, hiervoor kunt u de pijnstiller gebruiken die de tandarts u voorgeschreven heeft. Het is belangrijk dat u de mond en ook het wondgebied goed reinigt. U kunt gewoon tandenpoetsen, een beetje voorzichtig bij de wond. Het spoelmiddel moet ook gebruikt worden. Meestal zult u een controle afspraak hebben gekregen 1 tot 3 weken na de behandeling. Soms kan de prothese of plaatje een aantal dagen of weken niet gedragen worden. Dit kan uw behandelaar u vertellen voor de behandeling. Nu dient het implantaat vast te groeien in de kaak: de osseointegratie. Dit kan 6 weken duren of soms zelfs 6 maanden. Deze periode wordt bepaald door uw behandelaar en is onder andere afhankelijk van de kwaliteit van het bot. Na deze periode kan de kroon, brug of prothese worden gemaakt.

Indien voldoende bot aanwezig is, van goede kwaliteit, zijn implantaten in de onderkaak succesvol in meer dan 95% van de gevallen. In de bovenkaak ligt het percentage iets lager. Indien onvoldoende bot aanwezig is en er daarom bot aangebracht dient te worden is het succespercentage geringer.

De implantaten zijn gemaakt van zuiver titanium. Momenteel zijn er geen afstotingsreacties bekend bij het gebruik van dit materiaal.

Het is tevens gebleken dat bij rokers het succespercentage duidelijk minder is.

Voor goede, gespecialiseerde tandartsen is het een routineoperatie. De tandartsen van onze gespecialiseerde praktijk hebben al vele jaren ervaring met implantologie.

Nee, met een plaatselijke verdoving wordt de pijn tegengehouden. U neemt  nog wel geluiden en geuren waar.

De risico’s zijn even groot of even klein als bij iedere operatieve ingreep. Er kan sprake zijn van vertraagde wondgenezing of infecties. Bij een implantaat in de onderkaak ter hoogte van de kiezen kan de zenuuw van de kin worden geraakt. Deze complicaties komen nauwelijks voor en het komt al net zo zelden voor dat ze leiden tot het afstoten van het implantaat. Over het geheel gesproken is het aanbrengen van implantaten bij voldoende aanwezig botweefsel een ingreep zonder veel risico’s.

Ja. In dit geval wordt eerst voor botopbouw gezorgd. Bij de bovenkaak is dit gemakkelijk te doen, bij de onderkaak is het in sommige gevallen wat ingewikkelder. De botopbouw gebeurt een aantal maanden voor het plaatsen van de implantaten of direct tijdens de ingreep. Dit hangt af van de specifieke toestand van het botweefsel.

In de volgende omstandigheden moet van implantaten worden afgezien of moet goed worden afgewogen of implantaten de juiste methode zijn: een nog niet volgroeide kaak, ernstige lever-, hart- of nieraandoeningen, nicotineverslaving, een verhoogd bloedingsrisico, een verzwakt afweersysteem, niet-ingestelde diabetes mellitus(suikerziekte).

Dit hangt af van het aantal implantaten en de tijdelijke voorziening. In eerste instantie is gedurende de eerste week zacht voedsel sterk aan te raden. Vervolgens is het  beste om heel hard voedsel, bijvoorbeeld noten, te vermijden. Hoe belastbaar de tijdelijke voorziening is, hangt af van de beginsituatie (enkele ontbrekende tand of volledig tandeloze kaak etc.) en van het individuele genezingsproces.

Het is aan te raden om bestaande parodontitis volledig te laten behandelen. Daartoe moet voor het implanteren een microbiologisch onderzoek worden gedaan en moeten aansluitend de ziektekiemen op de juiste wijze worden bestreden.

Bij een correct geplaatst implantaat met de juiste supraconstructie (de opbouw van het implantaat) verloopt het kauwen net als bij natuurlijke tanden.

Het plaatsen van de implantaten gebeurt tijdens één ingreep. Eventueel noodzakelijke botopbouw vindt langere tijd voor het plaatsen van de implantaten en soms ook tijdens deze ingreep plaats. Indien het tandvlees over het implantaat gaangebracht is, zal bij de tweede, kleine, ingreep het implantaat blootgelegd worden, zodat de plaats van het implantaat kan worden doorgegeven aan de tandtechnicus door middel van een afdruk.